De postzegelveiling

Met het schaamrood op mijn kaken moet ik iets bekennen. Pas geleden hebben mijn man en ik iets gedaan, wat we al jaren wilden doen maar nooit deden omdat we niet uitgelachen wilden worden.

Nee, we hebben ons niet kaal geschoren, en nee we zijn niet als een ANWB stel aan het fietsen geslagen. Het is nog erger. Nog veel erger. We hebben ons kostelijk vermaakt op de veilingavond van de plaatselijke postzegelvereniging.

Zó, dat is eruit. Het was geweldig. Echt waar. Maar misschien kan ik beter zeggen, het was dubbel leerzaam …

Eerst was er een super interessante lezing door mevrouw Bloemhof, over de kleinzegel, de voorloper van de belasting- en dus ook de postzegel. Zij doet in haar vrije tijd onderzoek en is op vele sappige verhalen gestuit. Bijvoorbeeld over Isaac Lemaire, die te maken had met malversaties en zodoende uit het bestuur van de VOC is gezet. Maar ook vertelt ze de over jarenlange juridische strijd wie nou eigenlijk de bedenker is van de postzegel. Geschiedenis kan echt heel boeiend zijn.

Na een klein uurtje is het pauze en komen er een aantal postzegelliefhebbers nader kennis maken, waaronder de veilingmeester. Sommigen herkennen mij van mijn werk voor de krant en waren blij verrast dat ik samen met mijn man lid ben geworden van de club.

“Wat sparen jullie?” is de eerste vraag die op ons afgevuurd wordt, hij zal nog vele malen volgen. Als een variatie op het bekende ‘Waar kom je vandaan en van wie ben je er één.’  Ik zeg dat zegels over Rembrandt, kerstmis en uilen mijn kant op mogen en dat treinen en vrachtauto’s in het album van mijn man terecht kunnen. Veel van de postzegelliefhebbers sparen verschillende onderwerpen, met name omdat er zoveel moois te vinden is. Wereldwijd worden er nog dagelijks nieuwe zegels uitgebracht en uiteraard hoopt iedereen nog eens die ene, ontzettend zeldzame, te ontdekken. Dat gebeurt dan ongetwijfeld bij zo’n beginneling als ik, die hem voor tien cent verkoopt en later bedenkt; oh, misschien had ik in de catálogus moeten kijken.

Maar goed, de veiling begint en onze buurman wijst op de lijst in het clubblad. Dat is wel handig.

“Zo kun je bijhouden welke items er te koop zijn,” zegt hij terwijl hij zijn biedkaart laat zien, “Als je wilt bieden steek je je biedkaart omhoog.”  Simpel en logisch, denk ik, dat weet toch iedereen? Wie kent niet de films waarin veilingen plaatsvinden, en dat iemand, al – dan – niet door sabotage, opeens een duur item gekocht blijkt te hebben.

Met brandende wangen zit ik te wachten op een set Rembrandt zegels. In het jaar van de Oude Meester is dat een goed gescoord collectors-item prijs ik mijzelf. Onze geplastificeerde biedkaart met grote zwarte nummers dertien gebruik ik om de lijst regel voor regel af te lezen. Er staan op zo’n avond meer dan 120 items op de lijst en het is ondoenlijk om continu te zien waar je bent. En soms, als de veilingmeester er zin in heeft, is hij ineens tien nummers verder. De gelouterde postzegel-bieders weten dat al lang en hadden ons ervoor gewaarschuwd: “Let op, want je grijpt er zo naast!”

Angstvallig houd ik dus de bladzij in de gaten, zul je altijd zien dat ik er alsnog net naast grijp. Ik spiek even hoeveel items er nog tussen mij en mijn Rembrandtzegels staan als er net een set zegels van onze zuiderburen verkocht wordt. In de stilte die valt kijk ik op en zie de vijf heren vanachter de verkooptafel naar mij staren. Ik kijk nieuwgierig terug. Met een licht schouderophalen gaat de veilingmeester met dreunende stem door: “Kavel nummer 231, Belgische zegels, verkocht aan nummer dertien. Drie euro vijftig.”

Verschrikt kijk ik naar mijn man. Hij wijst grijnzend op mijn biedkaart, die ik nog braaf omhooghoudt om op de bladzij te kunnen kijken. Gelukkig was het geen schilderij van een miljoen. En mijn setje Rembrandtzegels? Die heb ik gekocht. Twee keer zelfs.