De kerk

Afgelopen zondag betrad ik sinds lange tijd weer eens de kerk. Een innerlijke drang droeg mij op om die zondagmorgen te luisteren naar de stem vanbinnen.

Wat trok mij aan? Wat riep mij? Of is het toch, wie riep mij?

Sinds mijn achttiende ben ik niet meer zo ‘Goddig’, hoewel ik altijd ben blijven geloven in iets en de Doopsgezinde gemeente mij al meer dan tien jaar zijdelings bekoorde – ik was zelfs al eens een paar keer mee geweest met mijn tante – was deze duidelijke roep toch wel een bijzondere ervaring.

Ik schudde bij binnenkomst de hand van de man, met de stok. Hij was herstellende van een operatie en we waren blij elkaar weer te spreken. ‘Wat fijn dat ik je juist hier zie,’ zei hij. Later op de ochtend sprak, de dame die ouderen van en naar huis begeleidt, mij aan. Ook zij had oprechte aandacht voor mij. Bij de koffie zat ik naast een vrouw en samen hadden we een diepzinnig, intiem en hartverwarmend gesprek over ons beider verlies vorig jaar. Bij het afscheid zoenden we elkaar zelfs.

Maar nog even terug naar de dienst. Bij het zingen van de liederen, ontdekte ik dat ik de noten snapte. Dit was voor mij een klein wonder. Bovendien voelde ik het ritme van de muziek! Kippenvel trok over mijn onderarmen. 

De notenbalken, uit het, in mijn ogen moderne liedboek, brachten een herinnering uit het diepst van mijn geschiedenis naar boven. Na een lange martelgang van wekelijkse orgellessen en diepe zuchten van de leraar, snapte ik na een jaar nog altijd niets van de notenbalk. Ik herinner me nog mijn wanhoop over het volkomen onvermogen tot het laten horen van enig, aan te horen, muzikaal talent. De orgellesleraar verzocht mij een andere hobby te gaan zoeken. Een verzoek waar ik overigens graag aan voldeed.

Mede door deze orgelles-herinnering reduceerde ik tijdens de liederen mijn onfortuinlijke zangstem tot een zacht gebrom, bang om iemand van de wijs te brengen.

Het overviel me dan ook, toen ik een goedkeurend knikje kreeg van mijn buurvrouw, dat er een gevoel van geborgenheid door me heen trok. Ik voelde me gehoord. Gezien. En ik mocht nog zingen ook. Nog net op tijd onderdrukte ik de neiging om mijn roep te laten schallen. “Ik ben thuihuis!”

Daags erna pieker ik over wat de voorgangster tegen mij had gezegd: “De kerk is niet het gebouw. De kerk is niet de zondagmorgendienst. De kerk is een gevoel vanbinnen. De innerlijke drang.”

Het gaat over God en de Bijbel. Ja zeker! Maar ook over de vraag; wat doen wij zelf in ons dagelijks leven om Goed te zijn. Komen we op voor wie het nodig heeft? Was dat wat mij riep? Of was het de drang van liefde? Als in liefde voor de mensheid? De drang om te helpen, de wereld beschermen tegen alle donkere bedreigingen om ons heen?

Misschien is het wel egoïsme… Het willen baden in de warmte van de mensen die de gemeenschap al jaren opbouwen?

Wat het ook is… De roep heeft mij bereikt, geen notenbalk die mij nu nog tegenhoudt.